De Energiemarkt: sleutel bij de aanpak van het klimaatprobleem.
Jos
Cozijnsen, consulting attorney[1], juli, 2000.
1. Samenvatting
De energiesector is
belangrijk voor het klimaatbeleid. Het klimaatprobleem wordt evenwel niet geïntegreerd
in de liberalisering en herstructurering van de energiesector in Europa. Dit is
onterecht, omdat de Europese Gemeenschap (EG) als geheel krachtens het Kyoto
Protocol onder Klimaatverdrag gehouden is tussen 2008-2010 het niveau van de
broeikasgasemissies 8% lager dan in 1990 te houden. Bovendien draagt het
Europese Verdrag van Amsterdam in artikel 6 de EG op bij het ontwikkelen en
invoeren van Europese regelgeving rekening te houden met het milieu.
In dit artikel betoogt
auteur dat de energiemarkt juist uitermate geschikt is voor internalisering van
milieukosten en de aanpak van het klimaatprobleem Door één stap verder te gaan
komt het halen van de Kyoto reductieverplichtingen binnen bereik en worden
voorbereidingen voor verdere maatregelen geïnitieerd. Overheid, producenten en
consumenten kunnen zich inzetten voor klimaatbeleid op een marktconforme wijze,
terwijl ‘business opportunities’ geschapen worden en
renewables-ondersteunende technologie wordt gestimuleerd. De opties voor
dergelijke marktinstrumenten variëren van fiscale stimulering, labelen, handel
in groene stroom, tot verhandelbare emissierechten.
De timing voor een
expliciete koppeling van energiemarkt aan CO2-reducties is
uitstekend. Hiervoor wijst auteur op de explosie aan initiatieven van
internet-energiebedrijven, groene stroom aanbieders en samenwerkingsverbanden
van kopers en verkopers van energie. Er is dus kennelijk een markt voor schone
energie. Alleen overheden lijken nog aan de nieuwe tijden te moeten wennen. Dat
is een gemiste kans, want zekerheid over het halen van de benodigde reducties
hebben veel Lidstaten nog niet.
Verbranding van fossiele brandstoffen voor de opwekking van
energie is de grootste bron van broeikasgasemissies. M.b.t. de EU draagt 79% bij
aan het klimaatprobleem, waarvan 32% afkomstig van de energiesector (energie en
warmte). Recente publicaties wijzen er op dat liberalisering van de energiemarkt
in combinatie met geopolitieke veranderingen (w.o. toename energiebehoefte,
uitfasering kernenergie, openen van markten) kan leiden tot een toename van het
gebruik van fossiele brandstoffen, met name van de goedkopere kolen en olie.
Tegelijk leidt het tot een verzwakking van de concurrentiepositie van duurzame
energie ten opzichte van fossiele brandstoffen. Zonder
extra bevordering is er geen ‘level playing field’ voor renewables.
Conclusies van de Europese Raad (Cardiff, juni ’98) ten
spijt, het besluit om met name t.b.v. het halen van de Kyoto-verplichting
milieubelangen mee te wegen bij het beleid t.a.v. energie, heeft vooralsnog niet
geleid tot aanpassingen in de uitwerking van de Energie Richtlijnen.
3. Veranderingen op de Energiemarkt leiden niet tot
CO2-reducties.
Een aantal ontwikkelingen dat gepaard gaat met de
liberalisatie en herstructurering van de energiemarkt en externe, geopolitieke
factoren in de energiesector resulteert in toename van energie-gerelateerde CO2
emissies en verslapt de marktpositie van duurzame energie, namelijk:
•
Laag blijvende mondiale kolenprijs;
•
Vermindering van aantrekkelijkheid
warmtekrachtkoppeling, omdat meestal, relatief duurder wordend, gas gebruikt
wordt.
Aanbieders en grootverbruikers van energie laten zich op
dit moment voornamelijk leiden door kostenaspecten. Een explosie aan
initiatieven van internet-energiebedrijven, groene stroom aanbieders en
samenwerkingsverbanden van kopers en verkopers van energie doet zich voor.
·
Internet energiebedrijven zijn bijvoorbeeld: www.buyENERGYonline.com,
www.wisselstroom.nl , www.energiebedrijf.com,
www.gasenlicht.com.
·
Philips is begonnen met een Europese aanbesteding voor
gezamenlijke energie-inkoop voor haar 125 vestigingen in de EU.
·
Land en Tuinbouw Organisatie Nederland wil vanaf 2002 een eigen
energiebedrijf oprichten.
Men ziet efficiencymogelijkheden, schaalvoordelen en
wil de goedkoopste blijven. Men ontmoet geen prikkels om het aandeel van
duurzame energie in de maatschappij juist te vergroten. Evenmin worden ze
geconfronteerd met de gevolgen niet het niet acht slaan op de hiermee gepaard
gaande CO2 emissies voor klimaatverandering,
Over het algemeen hebben EU-regeringen nog niet bepaald hoe
ze te behalen reducties over economische sectoren willen verdelen. Hier ligt de
kern van het probleem In Nederland vertrouwt de energie-intensieve industrie er
zelf op dat het bij het overeengekomen ‘benchmarking efficiency convenant’
blijft, hetgeen niet gericht is op absolute CO2-reducties.
Het is, gezien de internationale CO2-verplichtingen gewenst
dat bedrijven en consumenten een deel van hun kostenbesparingen door de
liberalisering van de energiemarkt, aanwenden voor klimaatmaatregelen. Om dit te
bereiken is moet de energiemarkt niet alleen kostengedreven zijn, maar
ook klimaatgedreven. Er moet ook gezocht worden naar kosteneffectieve
klimaatreducties. Hierin hebben zowel aanbieders van energie, groot-, en
kleinverbruikers en overheden een rol.
·
De overheid zal een prijs moeten zetten op CO2-uitstoot. Dat kan
in de vorm van een CO2-heffing op nationaal of EG-niveau. Kleinverbruikers kan
een korting gegeven worden op de heffing als ze groene stroom afnemen
Voor grootverbruikers kan het ook in de vorm van een ‘cap-and-trade-‘systeem
of door specifieke CO2-reducties af te spreken. Zowel bij een
cap-and-trade-systeem als bij CO2-afspraken speelt duurzame energie of schonere
energie een rol. Andersom stimuleren specifieke CO2-regels de markt
van duurzame energie door schaalvergroting. Nu overstijgt de vraag het aanbod.
·
Aanbieders van energie kunnen meer duurzame energie op het net
brengen of direct aan bedrijven verkopen, opdat bedrijven en consumenten minder
CO2-emissies veroorzaken. Nu doet een aantal bedrijven dat vrijwillig
en in het kader van het eigen beleid. Een aantal handelt ook internationaal in
certificaten voor groene stroom en werkt aan afspraken over groenlabels. Zo
streeft NUON naar een aandeel duurzaam van 5% in 2000, deels door import van
groencertificaten voor windenergie en waterkracht.
·
Grootverbruikers kunnen individueel of in samenwerkingsverband een
deel van het kostenvoordeel omzetten in CO2-reducties door inkoop van
groene energie. In de EU regelen veel meerjarenafspraken en convenanten
energiebesparing en –efficiency. Het is aan te raden daar absolute emissies
bij op te nemen, nu de energiemarkt CO2-vrije energie kan leveren.
·
Kleinverbruikers kunnen, tegen een kleine meerprijs of met een
korting op de energieheffing, kiezen voor groene stroom. In een aantal lidstaten
bieden energiebedrijven die mogelijkheid al; vanaf 1.1.2002 kunnen consumenten
energiebedrijf kiezen.
·
Milieuorganisaties houden al campagnes over groene stroom. Maar ze
moeten dat meer op het behalen van de Kyoto-verplichting richten en niet alleen
op ‘bewust consumeren’.
Dat deze mogelijkheden nu niet benut worden komt volgens
auteur omdat:
·
overheden worstelen met de vraag hoe de overheid milieurandvoorwaarden
t.a.v. marktwerking moet stellen,
·
energiebedrijven en grootverbruikers wel voordelen zien in de CO2-markt,
maar bang zijn dat CO2-verplichtingen hun economische groei
belemmert;
·
milieuorganisaties ook nog zoeken naar geschikte instrumenten voor een
energiemarkt en veel vertrouwen hebben in heffingen en
·
de rol en het potentieel van consumenten bij klimaatbeleid wordt
verwaarloosd.
Voor klimaatbeleid, inpasbaar in de Energiemarkt, kan
gebruik gemaakt worden van de volgende instrumentenpakketten:
1.
1.
koppelen van duurzame energiebeleid aan klimaatbeleid.
In Duitsland (50%
verbetering in 2010), Nederland (5% in 2010) wordt gewerkt aan beleid ter
bevordering van het aandeel duurzaam van het energienet. De vraag overstijgt het
aanbod evenwel. Van de Nederlandse gebruikers is 40% bereid meer te betalen voor
groene stroom. In andere lidstaten gelden vergelijkbare cijfers. Duitsland, DK,
Italië, het VK en een aantal staten in VS hanteren verplichte duurzame
stroomquota. De Nederlandse overheid is niet bereid groene stroom-quota voor de
energiesector verplicht te stellen, omdat men stelt dat de markt vanzelf met de
vraag meegroeit. In 2001 begint een vrijwillige handel in groencertificaten. De
sector, instituten en milieuorganisaties wijzen er op dat vrijwillige duurzame
energie een druppel op de gloeiende plaat zal zijn en dat voor schaalvergroting
een harde duurzame energie-verplichting nodig is. Ook als men denkt aan de
scherpere CO2-reducties die ná 2012 nodig zijn is vergroting van duurzame
energie onontbeerlijk.
Op EG-niveau wordt
gewerkt aan een toename van het aandeel duurzaam. Het Commissievoorstel voor een
Richtlijn voor Duurzame Energie, dat op de Europese Energieraad van 30 mei 2000
is besproken, zou leiden tot een toename met 12% van het aandeel duurzaam tot
22,1% in 2010 in de EU. Naar verwachting zal deze richtlijn
onder het Franse EU-voorzitterschap aangenomen worden.
Duurzame
energiebeleid kan in de aanloopfase ondersteund worden door staatssteun.
Naar verwachting zal de Commissie binnenkort aan voorstel voor een
herzien kader van staatssteun presenteren (met behoud van vrije toegang en
verbod van discriminatie). Hieronder valt het toestaan van staatssteun van
voorlopig 5 jaar voor duurzame energie, als de kosten van groene stroom hoger
zijn en er niet bepaalde bedrijven worden voorgetrokken. In NL biedt ESSENT
groene stroom al lager aan dan gewone stroom. Ook kan er begunstiging gelden bij
het opzetten van nationale handel in emissierechten. Vanzelfsprekend is de
discussie over welke energiebronnen meer of minder duurzaam geacht wordt nog
lang niet afgerond. M.n. wat betreft de rol van grootschalige waterkracht en
afvalverbranding.
Er is dus wel aandacht voor duurzame energie en het belang
voor klimaatbeleid wordt gezien. Maar wat mist is het koppelen van duurzame
energiebeleid aan klimaatbeleid. In het duurzame energiebeleid wordt geen
lineaire, gekwantificeerde verbinding met de CO2-verplichtingen gelegd. Hoeveel
draagt het bij aan Kyoto? Wanneer bedrijven en consumenten gestimuleerd worden
tot CO2-reducties zal toename van aandeel duurzaam daar een onderdeel
van kunnen uitmaken en kunnen bovendien voorbereidingen getroffen worden voor
scherpere reducties ná 2012.
2.
koppeling energiemarkt aan handel
in emissies en reducties
In de VS en in de EU circuleren voorstellen voor het
opzetten van een zogenaamde ‘upstream’ handel in reducties/emissies, waarbij
de energiebedrijven een CO2 –plafond opgelegd krijgen en ze over
vergunningen dienen te beschikken die overeenkomen met de CO2-emissies
die gepaard gaan met de geleverde energie. Kosten voor CO2-reducties,
met name door het inkopen van duurzame energie, kunnen dan doorgesluisd worden
naar de eindverbruikers. De eindverbruikers betalen met die extra bijdrage voor
groene energie direct mee aan de CO2-reductie in de eigen sector.
In principe kan een bedrijf kiezen welke wijze van CO2-reductie
het goedkoopst is. In 2000 is DK gestart met een dergelijke koppeling van
energiehandel en reducties middels een CO2-quota en
‘cap-and-trade’ voor de energiesector. Ook is een tweetal simulaties met het
combineren van elektriciteit- en CO2-handel
is opgedaan door Eurelectric.
3.
koppelen van energie-productbeleid aan klimaatbeleid (CO2 per kWh).
Europees
milieu-productbeleid richt zich in het algemeen op de aanbieders (‘retail’)
op de markt, i.p.v. op de producenten. Dit is conform WTO-regulering.
Loskoppeling van productie en transport in een geliberaliseerde energiemarkt
maakt deze sector geschikt voor een product-beleid, waarbij een maximaal CO2-component
per kWh wordt verlangd van, zeg, minder dan 50 gram CO2 per kWh.
WWW.Greenergy.com
biedt elektriciteit met koolstof-intensiteit naar keuze. Dit is
vergelijkbaar met ‘Ozone Depleting Potential’-standaarden voor ijskasten of
efficiencylabels voor wasmachines. Het kwantitatieve effect is voor de sector
hetzelfde als een CO2-quotum, alleen het instrument is anders.
4.
Algemene klimaatmarkt
Recente plannen voor klimaatbeleid in het VK, w.o. een
klimaatheffing en handel in reducties en emissies (per 1.4.2001) maken
inzichtelijk hoe een homogene, uitwisselbare, liquide klimaat-markt er in de
toekomst uit kan zien. De Baltische landen bespreken ook de mogelijkheid voor
uitbreiding van de energiemarkt met reductie-units. Ook in de
klimaatonderhandelingen wordt er gepleit voor uitwisselbaarheid tussen
emissierechten en reductie-units door de verschillende Kyoto Mechanismen.
Om het gezamenlijke CO2-reductiedoel, te halen kunnen
aanbieders van energie, groot- en kleinverbruikers, onder een CO2-plafond
groene stroom-labels, certificaten, reductie- en emissierechten uitwisselen
Allen hebben voordeel van de laagste gemiddelde marktprijs.
6. Conclusies
Analyse van het Europees energiebeleid en de implementatie
van de Energierichtlijnen in relatie met de verplichtingen onder het
Klimaatverdrag en Kyoto Protocol leidt tot de volgende conclusies:
1.
Regeringen
moeten meer oog hebben voor de bedreigingen en kansen van de energiemarkt voor
klimaatbeleid;
2.
Om
te beginnen dient CO2-uitstoot een prijs te krijgen en dienen de milieukosten geïntegreerd
te worden in de energieprijzen. Daaronder vallen de marginale reductiekosten
voor CO2.