| Publicatiedatum:
11/8/2004 Stijging
olieprijs maakt handel in CO2 overbodig
GERARD HIRS De olieprijs blijft
stijgen. Europeanen zijn gewend aan dure energie. Amerikanen niet. Maar ook zij zullen
zuiniger worden Wie de
prijsstijging van ruwe olie toerekent aan de uitstoot van CO2, kooldioxide, krijgt een
verrassende uitkomst. Een ton CO2 blijkt opeens 45 dollar te kosten, een bedrag waar
milieudeskundigen alleen van durfden dromen. Dit bedrag is zo hoog, dat het het opzetten
van CO2-handel in Nederland en de EU kan ophouden. Bovendien lijkt het Kyoto-protocol aan
herziening toe. De prijs van een
vat ruwe olie is in korte tijd sterk gestegen. De stijging, in dit artikel afgerond op 20
dollar, wordt gebruikt om een eerste indruk te krijgen van de invloed op economie en
milieu. Bij voorbaat is duidelijk dat de invloed op de economie groter zal zijn in het
werelddeel waar de prijs van energie direct gekoppeld is aan de wereldmarktprijs. In de
Verenigde Staten was de energie vroeger goedkoop en is zij nu duur. De economische invloed
zal er groot zijn. In Europa is de energie door overheidsingrijpen van oudsher duur. De
maatschappij is gewend geraakt aan kwartjes van Kok erbij en heeft zich daarop ingesteld. De overeenkomst van
Kyoto om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen is door Nederland en de Europese Unie serieus
genomen en door de Verenigde Staten en Rusland niet. De noodzaak uit voorzorg maatregelen
tegen klimaatverandering te treffen heeft hier een bredere politieke steun. Desondanks
vinden velen het Kyoto-protocol een diplomatiek misbaksel. Een van de bezwaren is het feit
dat het vaststellen van de mate van klimaatverandering beperkt blijft tot het meten van de
uitstoot in tonnen kooldioxide (CO2) en andere gassen, zoals methaan (CH4). Water, roet en
asdeeltjes met als verzamelnaam aerosolen blijven buiten beschouwing, omdat niemand weet
wat hij ermee aanmoet. Bovendien belandt een onbekend gedeelte van de kooldioxide niet in
de atmosfeer. De relatie tussen de mate van klimaatverandering en de grootte van de
uitstoot is dus niet goed bekend. Door van
overheidswege limieten te stellen aan de uitstoot van kooldioxide worden de over- en
onderschrijdingen in principe een verhandelbaar goed. De opzet van deze handel is
gedachtespeelgoed van economen, accountants en politici getuige onder andere de websites
van de Algemene EnergieRaad, KPMG en Groen Links. Verwacht werd dat bij een prijs van 40
tot 50 dollar per ton CO2 een voldoende dempende werking op de uitstoot zal uitgaan. Maar
wie de rapporten goed leest, ziet evenals de auteurs grote moeilijkheden. De voornaamste
is wel het stellen van limieten aan individuele bedrijven en instellingen. De uitkomst van
de studies was dat niet de individuele landen maar de EU het moest doen. De EU is blij met
iedere nieuwe taak. Het EU-voornemen is snel onder woorden gebracht en schijnt al in 2005
werkelijkheid te worden. Op zich is de
gretigheid van de EU wonderlijk, de Verenigde Staten achten CO2 -handel dodelijk voor hun
industrie. In de EU houdt de industrie zich koest. Waarschijnlijk omdat nationale
regelingen nodig zijn om het EU-voornemen te implementeren en omdat Europeanen meer dan
Amerikanen weten hoe met dure energie om te gaan. De recente
prijsstijging van ruwe olie is de reden om ernstig te overwegen van CO2-handel geheel af
te zien en de tijd te nemen om het Kyoto-protocol te herzien. De redenering gaat als
volgt: 1. Een vat ruwe
olie bevat 2. Het gehalte
chemisch gebonden koolstof in een vat olie is ongeveer 3. Verbranding van
die koolstof levert kooldioxide, dat een factor 3,7 zwaarder is. 4. Een vat olie
veroorzaakt dus 5. Toerekening van
20 dollar aan deze Een prijs van
ongeveer 45 dollar per ton CO2 is wat de EU via regelgeving met brede politieke steun
wilde bereiken.Het EU-doel is door de olieproducenten verwezenlijkt. De EU-regelgeving en
CO2-handel zijn nu dus overbodig. De dempende werking via een prijs op de uitstoot van CO2
is in de EU nu al bereikt. Het bijkomende milieuvoordeel is dat de grootste
energiegebruiker, de VS, nu ook 45 dollar per ton betalen. Zonder de politieke wil daartoe
en zonder Kyoto-protocol. De tijd zal leren
hoever het energiegebruik zal dalen en of de economische schade beperkt zal blijven. Hoe
de autoindustrie ervoor staat blijkt uit een artikel in de New York Times van 25 juli:
'Catching up to the Cost of Global Warming'. Daarin luidt een analist van Merill Lynch de
noodklok over de Amerikaanse autofabrikanten GM en Ford, die te weinig inspelen op de
eisen die overheden stellen aan de uitstoot van broeikasgassen. Ook een groeimarkt als
China stelt strenge eisen. Europa staat er
beter voor dan de Verenigde Staten, maar dat is een schrale troost. Gerard Hirs is
emeritus hoogleraar Energietechnologie, Universiteit Twente. Copyright
(c) 2004 Het Financieele Dagblad |
|