in
de Provincie Noord-Brabant.
Jos Cozijnsen
Consulting Attorney
Dit
paper is in opdracht geschreven van Projectbureau Energie 2050 (PBE2050). Het
beschrijft het perspectief voor een proef met een regionale markt voor de
Provincie Brabant, waarop CO2- emissierechten worden uitgegeven. Er
ontstaat vervolgens een markt in CO2-emissierechten en certificaten voor
gerealiseerde CO2-reducties, voor groene stroom en certificaten voor
de opname van CO2 in bos. De vraag die in paper wordt beantwoord is:
“Hoe zou een proef in de Provincie Noord-Brabant met verhandelbare
CO2-emissies er uit zien en met welke voorwaarden?”
De
achtergrond wordt gevormd door de internationale klimaatverplichtingen in het
Kyoto Protocol onder het Klimaatverdrag, het streven naar een toename van
duurzame energie en de liberalisering van de Europese energiemarkt.
Op
basis van bestaande literatuur kan geconstateerd worden dat de opzet van een
markt voor verhandelbare emissierechten als proef in Noord-Brabant kansvol is,
omdat aan de belangrijkste randvoorwaarden voldaan kan worden:
1.
Er zijn geen
locale milieueffecten bij het opzetten van een markt voor verhandelbare CO2-emissierechten
het maakt voor de bestrijding van CO2 niet uit op welke locatie
maatregelen genomen of reducties bereikt worden;
2.
Er zijn
duidelijk te definiëren partijen: bedrijven, consumenten en instanties. We
kunnen verschillende schaalgrootten onderscheiden:
- microniveau, op
de schaal van een bedrijfsterrein met een emissie-stolpbenadering voor de
gezamenlijke bedrijven. Hierbij kunnen emissierechten onderling verhandeld
worden en worden bedrijven gestimuleerd samen te werken aan WKK, cascadegebruik
van warmte, en gezamenlijke inkoop van (diensten van) energie en bevorderen van
duurzame energie[1]
- macroniveau: de
schaal van de grotere bedrijven in Noord Brabant. Men zou een vermogen van <2
megawatt aan kunnen houden, analoog aan de groep die in 2002 afnemer op de
Europese elektriciteitsmarkt is;
- meganiveau: op de
schaal van bedrijven, maar ook consumenten in Noord-Brabant. Het betrekken van
deze ‘sheltered’ sector bij het systeem heeft als aantrekkelijke kant dat
consumenten kunnen zorgen voor vergroting van emissieruimte. Dat kan
bijvoorbeeld door het kopen van groene stroom of kopen van bos-certificaten
(opslag van CO2). Voor de consument heeft dat als voordeel dat hij
recht heeft op aftrek van Regulerende Energie Belasting (REB). Consumenten
worden er beperkt bij betrokken: ze hoeven geen emissierechten aan te schaffen,
want ze hebben reeds met heffingen en hogere prijzen te maken.
De Provincie zal in aanvang sub-sectoren van de ‘exposed’ sector kunnen
benaderen, die in een eerste fase zonder grote problemen onder een systeem van
verhandelbare emissierechten gebracht kunnen worden. Ze kan dat direct (‘downstream’)
of via leveranciers van energiedragers (‘upstream’) doen. Dit laatste heeft
als voordeel dat het om slechts tientallen bedrijven gaat en men gebruik kan
maken van instrumenten als accijnzenregeling.
3.
Er zijn
voldoende partijen om een emissierechten-handel op te zetten: circa 20 bedrijven
moeten er minstens zijn; je moet bedrijven hebben die de rechten op willen kopen
en bedrijven die extra reducties plegen of groene energie leveren. Overigens is
er reeds sprake van een (Europese) elektriciteitsmarkt en PGEM-Mega Groep n.v. (PMG)
is voortrekker van Nederlandse groene stroom.
4.
Er zijn meer
alternatieven voor het halen van emissiereducties met verschillende
kostenniveaus beschikbaar. Een bedrijf kan meer of minder maatregelen nemen (materiaal-
en energiebesparing en -efficiency), emissies kopen en reducties verkopen. Een
bedrijf kan kiezen uit het energie-aanbod met ‘verschillende smaken’. Dat
maakt de handel interessant en technologische innovatie mogelijk.
5.
Provinciale
doelstellingen voor emissiebeperking zijn mogelijk. Voor de Kyoto-periode
(2008-2012) ligt een reductie van 6% voor de hand. Voor de proefperiode, ergens
tussen 2000 en 2008 is een reductie van 3% verstandig en haalbaar. Het is
redelijk het doel iets hoger te leggen dan CO2-stabilisatie en het
streven naar jaarlijks 2% energie-efficiency voor de Provincie Noord-Brabant[2][2].
Er is immers sprake van marktkansen en een – voor dit proefproject
ondersteunend uitwerkende – schaduwdoelstelling van 10PJ duurzame
energievoorziening in 2005.
Met deze inzet draagt Noord-Brabant bij aan de verplichting die de Partijen bij
het Kyoto Protocol hebben om in 2005 te laten zien welke vooruitgang ze hebben
geboekt in de richting van de Kyoto-verplichting.
III. Ontwikkeling van een regionaal
systeem van verhandelbare CO2-emissierechten
1.
De initiële
uitgave en verdeling van emissierechten.
De Provincie moet emissierechten - of emissiequota - uitgeven, die de bezitter
het recht geeft CO2 uit te stoten gedurende de proefperiode. Omdat
het om een proef gaat is het niet haalbaar deze rechten te verkopen of te veilen
(hetgeen marktconform zou zijn). Administratieve verdeling (‘grandfathering’)
kan het beste plaatsvinden op historische grondslag, eventueel gecorrigeerd voor
eerdere inspanningen, hetgeen het een politiek besluit maakt. Een algemene
toedeling zou zijn 3% CO2-reductie ten opzichte van de CO2
-emissies die het bedrijf (of de consument in dat geval) heeft gehad in 1995. In
dat jaar trad het Klimaatverdrag in werking en was de economische ontwikkeling
juist toegenomen.
Deze emissiebeperking van –3% voor een periode van 5 jaar tussen 2000 en 2008
is het zogenaamde emissieplafond. Dat plafond is nodig om de absolute
emissiereducties veilig te stellen die ook volgens het Kyoto Protocol verplicht
zijn. Verder is een plafond nodig om een systeem van verhandelbare
emissierechten effectief te laten werken. Dat, anders dan het gebruikelijke
systeem van vrijwillige afspraken, gekozen wordt voor het van boven opleggen van
een plafond, is een gevolg van het absolute en verplichtende karakter van het
Kyoto Protocol. De EU als geheel en Nederland hebben hierdoor zelf een
emissieplafond.
2.
De organisatie
van de markt.
Gezien de ervaringen met de opzet van de handel in het Groenlabel, verdient het
de voorkeur af te tasten of aan de markt van EnergieNed een extra switchboard te
hangen is: een mogelijkheid om duurzame, CO2-arme/vrije rechten op te
kopen en CO2-reducties aan te bieden. Dit zou een opstap op de
langere termijn kunnen zijn voor een internationale handel door het te koppelen
aan de Amsterdam Power eXchange (APX);
3.
Een betrouwbare,
transparante, liefst gekoppelde registratie van gecertificeerde CO2-reducties,
Groenlabels en emissierechten is essentieel. Bedrijven, personen of instellingen
moeten een emissie credit-rekening openen, waarop rechten en transacties e.d.
worden bijgehouden. Voor de opzet van richtlijnen voor registratie van emissies
en reducties kan aangesloten worden bij de richtlijnen in het kader van de EU en
het Klimaatverdrag.
4.
Controle,
handhaving, regeling van verantwoordelijkheid van kopers/verkopers en sancties
zijn nodig om fraude en CO- ‘leakage’ en dus belasting van het milieu te
voorkomen. Vanzelfsprekend draagt hier het registratie- en rekeningsysteem al
aan bij.
5.
Duur en
evaluatie van het proefproject.
Het proefproject moet een eindtijd hebben en ruim zijn wegens de
planningszekerheid van de bedrijven. Aan de andere kant moet de periode van
uitgifte van emissierechten niet te lang zijn om periodes van uitzonderlijke
stijging van het gebruik van brandstof – bij strenge winters bijvoorbeeld - op
te vangen.
Voorgesteld wordt een 5-jaartermijn te kiezen tussen 2000 en 2008. De huidige
klimaatdoelstelling geldt tot 2000. De Kyoto verplichting geldt voor de periode
2008-2012. Dat heeft als consequentie dat in de planperiode van het Provinciaal
Milieubeleidsplan (1999-2002) voorstellen geformuleerd moeten worden. Verder
moet duidelijkheid bestaan over de wijze van evaluatie en van afronding van het
proefproject.
De
verhandelbare CO2-rechten zijn het equivalent van 1 ton koolstof. Dat
betekent dat de bezitter gebruik van een hoeveelheid fossiele brandstoffen mag
maken, dat 1 ton koolstof bevat. De rechten zijn onbeperkt bruikbaar, ze
behouden hun waarde tot ze zijn ‘opgebruikt’. De prijs van een (deel van)
het quotum zal doorgaans de hoogte hebben van de laagste marginale
reductiekosten, waarbij alle deelnemers binnen de emissieruimte blijven.
Nadat
de initiële emissierechten verdeeld zijn, kunnen de spelers en de markt hun
werk doen. De bedrijven kunnen, ter illustratie van de marktwerking, het
volgende bijvoorbeeld doen:
1.
Een bedrijf
heeft gedurende de proefperiode evenveel emissies als emissierechten.
2.
Een bedrijf gaat
extra maatregelen nemen (efficiency/besparing) en verkoopt reductiecertificaten
of niet aangebroken emissierechten.
3.
Een bedrijf
heeft meer emissies dan gepland en gaat extra reductie-maatregelen nemen;
4.
Een bedrijf
heeft meer emissies en gaat op de markt groene stroomlabels,
reductiecertificaten of bos-certificaten kopen of meer groene stroom inkopen.
Dat is voor dat bedrijf goedkoper dan zelf maatregelen nemen.
5.
Een
energiebedrijf koopt groene stroom of produceert meer duurzame energie en
verkoopt dit aan afnemers, opdat zij met minder CO2-emissies kunnen
produceren.
6.
Een consument
(of instelling) zorgt, door financiering van duurzame energie of het kopen van
bos-certificaten voor meer emissieruimte en krijgt een REB-vrijstelling,
respectievelijk verkoopt certificaten op de markt.
7.
Een bedrijf
maakt niet volledig gebruik van zijn emissierechten gedurende de proefperiode en
spaart deze op (‘banking’). Banking kan
nog extra kostenvoordelen opleveren in combinatie met een toekomstig aflopend
plafond. En dat laatste is te verwachten gezien het -6% nationaal plafond voor
Nederland, krachtens het Kyoto Protocol.
De handel zal in het begin klein zijn, maar naarmate de druk tegen het einde van
de periode toeneemt groter worden.
Als
bestemmingsplan en vestigingsvereisten dat toelaten, dat zou het bevoegd gezag
een nieuw bedrijf emissierechten moeten geven, omdat het om een proef gaat en
toetredingsbarričres niet. Bestaande bedrijven die meer groeien dan gepland,
die kunnen aanvullende rechten kopen. Dat geeft nu juist de markt haar reden van
bestaan. Het is ook een duurzame groei, omdat direct milieukosten mee worden
genomen en de vraag naar reducties en schone energie en dus het aanbod toenemen.
V.
Conclusies en vervolg
De
liberalisatie van de elektriciteitsmarkt en de internationale
emissiereductie-verplichtingen bieden de mogelijkheid om CO2-reducties
te bereiken en duurzame energie te stimuleren in de Provincie Noord-Brabant. Er
kan voldaan worden aan de noodzakelijke randvoorwaarden om een proefproject met
een markt voor verhandelbare CO2-emissiereducties op te zetten. De
Provincie speelt daar een belangrijke rol bij, doordat ze bevoegd gezag is t.o.v.
grote vergunningplichtige bedrijven en doelstellingen wil bereiken op het gebied
van milieu en duurzame energie.
Het
proefproject zou 5 jaar tussen 2000 en 2008 beslaan en zou door haar
vroegtijdige karakter bijdragen aan de verplichting van landen om in 2005
voortgang bij het behalen van de Kyoto reducties te laten zien en extra
kostenbesparingen kunnen betekenen voor bedrijven bij de verlaging van het
plafond tot circa 6% gedurende de Kyoto-verplichtingenperiode (2008-2012).
Het
paper geeft aan welke stappen er gezet moeten worden om het proefproject
daadwerkelijk op te zetten en hoe de markt uiteindelijk zal werken. Het paper
behandelt niet het potentieel aan reducties of het ambitieniveau. Het toont aan
hoe het marktinstrument van verhandelbare emissierechten bij kan dragen aan de
benodigde reducties, terwijl het tot kostenbesparing leidt, omdat de prijs van
het emissierecht doorgaans de hoogte zal hebben van de laagste marginale
reductiekosten, waarbij alle deelnemers binnen de emissieruimte blijven.
Een
volgende stap door de Provincie Noord-Brabant zou kunnen zijn bij de provinciale
doelstellingen op het gebied van energie- en klimaatbeleid gebruik te maken van
het instrument (op proef) van verhandelbare emissierechten en vooral de rol van
(energie)bedrijven en consumenten daarbij te herbezien. Ze zou er de
internationale emissieplafonds en de kansen van de Europese elektriciteitsmarkt
daar bij moeten betrekken.
Een
vervolgstap zou zijn de Provincie Noord-Brabant bij het ministerie van VROM aan
te melden als proefproject voor verhandelbare CO2-emissierechten.
De
opeenhoping van emissies van broeikasgassen in de atmosfeer, als gevolg van met
name de verbranding van fossiele grondstoffen, leidt tot een gemiddelde
opwarming op aarde. Het klimaatprobleem dat door dit versterkte broeikaseffect
wordt veroorzaakt, wordt door de wereldgemeenshap als een dreigend
milieuprobleem gezien. Voortekenen, zoals grilliger weerpatronen en seizoenen op
hol, worden reeds erkend. Aan de ene kant zien we landen die last hebben van
verdroging, aan de andere kant zijn er landen die steeds natter worden.
In
Kyoto (Wereld Klimaattop, december 1997) hebben de geďndustrialiseerde landen
een reductie van broeikasgasemissies afgesproken van totaal –5% in de periode
2008-2012 te behalen t.o.v. de niveaus van 1990 (het gaat om CO2,
methaan, N2O, HFK, PFK en SF6).
De
EU moet 8% reduceren, waaraan Nederland 6% reductie zal bijdragen. Er is dus
sprake van emissieplafonds voor landen. En het zijn forse reducties die de
landen moeten doorvoeren. Ten opzichte van ‘business as usual’ – dus
zonder nieuwe maatregelen - kan het een beperking betekenen van de emissies tot
20% - 30%. Uiteindelijk zal een duurzame, koolstofarme, energiehuishouding, met
zo min mogelijk emissies als gevolg van fossiele brandstoffen, de belangrijkste
oplossing zijn. Het pad daar naartoe moet worden ingezet. Ondertussen moet tijd
voor technologische innovatie gewonnen worden en toch veel snelle reducties op
grote schaal mogelijk gemaakt worden. Daarom hebben landen in het Kyoto Protocol
afgesproken dat, om de reductie-verplichtingen te bereiken, gebruik gemaakt kan
worden van zogenaamde Kyoto Mechanismes. Deze marktgerichte instrumenten geven
landen de nodige flexibiliteit en leggen een belangrijke rol weg voor het
bedrijfsleven. Het gaat om de volgende instrumenten:
1.
Verhandelbare
emissierechten: een land of bedrijf dat minder emissies uitstoot dan was
afgesproken in het Kyoto Protocol, mag deze ruimte verkopen aan een ander
land/bedrijf dat aan zijn plafond zit.
2.
‘Joint
implementation’: financiering van emissiereducties in een ander industrieland;
de behaalde reducties worden onderling verdeeld;
3.
‘Clean
development mechanism’: zelfde als boven, maar dan gaat het om financiering
van reducties in een ontwikkelingsland.
De internationale discussie over de regels en vormgeving van de flexibele instrumenten wordt de komende jaren intensiever; eind 2000 moeten de landen uitvoeringsbesluiten nemen. Het is van belang zo snel mogelijk ervaring op te doen met deze instrumenten, bijvoorbeeld door er in Nederland proeven mee te doen. Dat geeft bedrijven ook de gelegenheid hun wensen voor de opzet van de Nederlandse en internationale instrumenten te formuleren. De Wet milieubeheer geeft nog geen ruimte aan een dergelijk instrument. Met name speelt het punt dat per inrichting de best mogelijke technologie gebruikt moet worden; het zogenaamde ALARA-principe. Zowel de Algemene Energieraad[3] als de VROM-raad[4] riepen op tot het starten van experimenten met verhandelbare CO2 –emissierechten. In de Regeringsverklaring 1998 kondigt Paars II aan een dergelijke proef te zullen uitwerken. Het is dan ook te verwachten dat minister VROM in de voor de zomer uit te brengen Uitvoeringsnota Klimaatbeleid een experiment voorstelt. En het ligt voor de hand dat men bij een dergelijk marktconform instrument energiebedrijven wil betrekken en emissierechten zal invoeren om duurzame energie (zonder CO2) of reducties te bevorderen[5]
In
de VS is er op het terrein van de SO2- en NOx-bestrijding in de
elektriciteitsproductie ervaring opgedaan met verhandelbare emissierechten, in
eerste instantie in een paar beperkte regio’s, later voor een groot aantal
staten gezamenlijk. Op het punt van CO2 is er een aantal
multinationale experimenten. Denemarken heeft recentelijk haar plan voor
nationaal verhandelbare CO2-quota voor de energie-productiesector
gepresenteerd.
Bij
de uitwerking hierna van het instrument van verhandelbare emissierechten wordt
de nadruk gelegd op de energiehuishouding en CO2. Dat heeft
verschillende redenen:
·
met energie uit
fossiele grondstoffen gaan de meeste broeikasgas-emissies gepaard;
·
het streven naar
meer duurzaam energiegebruik en de liberalisering van de Europese energiemarkt
geeft aanknopingspunten voor toepassing van marktconforme instrumenten, zoals
verhandelbare emissierechten;
·
het
internationaal verplichtende karakter van de nationale emissiereducties
(plafonds) werkt als prikkel om tot een markt voor verhandelbare emissierechten
en handel in groenlabels en reducties te komen.
______
Geraadpleegde
literatuur:
Verhandelbare
Milieugebruiksrechten binnen het Nederlandse Milieubeleid, LMO/LUW, Utrecht,
Wageningen, oktober 1993
Verhandelbare
Emissie rechten, Haalbaarheidsstudie gebaseerd op ervaringen uit de VS, TNO,
Delft, mei 1995
Tradable CO2 Emission Permits in
Europe, P.R. Koutstaal, RUG, Groningen, april 1996
Milieu-emissies:
kiezen voor winst! Marktwerking in het milieubeleid: de potentiële
kostenvoordelen van een systeem van Verhandelbare Emissierechten, IPO, Den Haag,
mei 1997
More Clean Air for the Buck: Lessons from the US
Acid Rain Emissions Trading Program, Environmental Defense Fund, New York,
November 1997
Verhandelbare
CO2-reductiecertificaten, P.R. Koutstaal, ECN, Petten, januari 1998
Het
Kyoto Protocol onder het Klimaatverdrag: over de inhoud, de uitvoering en de
handhaving van afspraken, mr C.J.H. Cozijnsen en mr G.H. Addink, Milieu en
Recht, Tjeenk Willink, mei 1998
Het
uitruilmodel: “een kansrijke
variant voor kostenverevening als instrument bij de bestrijding van NOx emissies
van stationaire bronnen”, KPMG Milieu, januari 1999.
Plan
van Aanpak Gebiedsgericht Industriebeleid, Provincie Friesland, februari 1999
Concept
Plan van Aanpak Energiebesparing en Duurzame Energie, Prov. Noord-Brabant, feb.1999
The Electricity reform, Agreement (..) on a
legislative reform of the electricity sector, Danish Energy Agency, Copenhagen,
3 maart 1999.
[1] De Provincie Noord-Brabant denkt aan een dergelijke aanpak bij een nieuw duurzaam bedrijventerrein op de locatie Moerdijkse Hoek (Concept Plan van Aanpak Energiebesparing en Duurzame Energie, Provincie Noord-Brabant, februari 1999). De Provincie Friesland wil verhandelbare emissierechten betrekken in een pilot voor een industrieterrein (Plan van Aanpak Gebiedsgericht Industriebeleid, Provincie Friesland, februari 1999).
[2] Concept Plan van Aanpak Energiebesparing en Duurzame Energie, Provincie Noord-Brabant (februari 1999)
[3] De Kyoto-afspraken, gevolgen voor Nederland op energiebeleid, Algemene Energieraad, 15 juli 1998.
[4] Transitie naar een koolstofarme energiehuishouding, Advies t.b.v. de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid, VROMraad, 23 december 1998.
[5] Bij de Nox-bestrijding hebben bedrijfsleven en ministeries vooralsnog gekozen voor een NOx-markt met een jaarlijkse uitruil en niet voor een continue handel in emissierechten zoals hier bepleit voor CO2-. De Nox-beheerorganisatie – de ‘regulator’- verzamelt welke maatregelen genomen worden en wie kilo’s NOx kopen en verkopen en bepaalt dan de marktprijs.