Copyright (c) 2004 Het Financieele Dagblad

Publicatiedatum: 1/9/2004

Brinkhorst vraagt uitzonderingspositie

 

EU-richtlijn emissiehandel nadelig uitgelegd

VAN ONZE REDACTEUR

AMSTERDAM - Minister Brinkhorst van Economische Zaken vraagt de Europese Commissie om Nederlandse bedrijven een uitzonderingspositie te geven voor de richtlijn CO2-emissiehandel. De ruime Haagse interpretatie van de richtlijn zet Nederlandse bedrijven nu op achterstand ten opzichte van hun buitenlandse concurrenten.

Dat blijkt uit een brief die minister Brinkhorst dinsdag aan de Tweede Kamer heeft gestuurd. Daarin laat hij weten dat hij met de staatssecretaris van Vrom een verzoek wil indienen voor een zogenoemde opt-out van de richtlijn voor bepaalde verbrandingsinstallaties. Het gaat daarbij om installaties voor de opwekking van energie die door een verschil van interpretatie in Nederland wel onder de richtlijn vallen, maar in andere landen niet. Daardoor zijn bedrijven met deze installaties aan emissiebeperkingen onderworpen die hun buitenlandse concurrenten niet kennen.

De richtlijn treedt in werking vanaf 1 januari 2005. Vanaf die datum mogen bedrijven niet meer broeikasgassen uitstoten dan de hoeveelheden die zij krijgen toebedeeld in het zogenoemde nationale allocatieplan. Als zij meer willen uitstoten, moeten zij extra CO2-rechten bijkopen. De EU-allocatieplannen houden verband met verplichtingen die voortvloeien uit het zogenoemde Kyoto-protocol voor de reductie van de uitstoot van broeikasgassen, die als belangrijkste oorzaak worden gezien voor de opwarming van de aarde.

Bij de omzetting van de richtlijn in nationale wetgeving blijkt Nederland andere definities van verbrandingsinstallaties te hebben gehanteerd dan andere landen. Daardoor vallen in Frankrijk alleen installaties in de energiesector onder het nationale allocatieplan. De Franse interpretatie moet overigens nog wel worden goedgekeurd door de Europese Commissie.

Duitsland en het Verenigd Koninkrijk passen de richtlijn half toe. Zij laten alleen losstaande installaties onder het allocatieplan vallen, maar zonderen installaties die in het productieproces zijn geïntegreerd ervan uit. Landen als Nederland, Ierland, Oostenrijk, België en Denemarken hebben ervoor gekozen om alle verbrandingsinstallaties van meer dan 20 megawatt eronder te laten vallen.

De interpretatieverschillen leiden ertoe dat Nederlandse bedrijven in met name de chemiesector straks wel onderworpen zijn aan emissiebeperkingen, en hun concurrenten in Frankrijk, Duitsland of het VK niet. Volgens de brief van Brinkhorst leidt dat tot potentiële concurrentieverstoring. Om de benadeelde bedrijven tegemoet te komen, vraagt hij nu voor de duur van de eerste periode dat er in emissierechten gehandeld kan worden (2005-2007) een opt-out aan.

Brinkhorst maakt in zijn brief duidelijk dat het gaat om een verzoek dat ook niet gehonoreerd kan worden. De Commissie moet een advies gegeven waarover vervolgens door de EU-lidstaten in de zogenoemde Climate Change Commission een definitief oordeel gegeven moet worden. Om voor de opt- out in aanmerking te komen, moeten bedrijven bovendien aan een aantal voorwaarden voldoen.

De uitkomst van de procedure is nog onzeker. Door een positief advies te geven over de opt-out, geeft de Commissie in feite toe dat zij een fout heeft gemaakt. De Commissie heeft immers verschillende interpretaties toegestaan van de richtlijn. Tegelijkertijd gaat het om de eerste keer dat er aan emissiehandel wordt gedaan, wat de Commissie wellicht mild stemt. De Climate Change Commission komt in november bijeen.

 

Voorschriften

Richtlijn emissiehandel januari 2005 van kracht

Het betreft installaties met een vermogen van meer dan 20 megawatt

Geen installaties die alleen elektriciteit produceren

Het concurrentienadeel moet worden bewezen