Publicatiedatum: 17/5/2001
Emissiehandel is aantrekkelijk voor het bedrijfsleven
President Bush heeft het Kyoto-protocol dood verklaard. De EU heeft, met minister Pronk voorop, nog veel moeite gedaan om de regering-Bush op andere gedachten te brengen, maar veel succes heeft dit nog niet opgeleverd. Desondanks heeft de EU al verklaard het protocol, ook zonder de VS, te zullen ratificeren.
Hoe de onderhandelingen in Bonn, waar de mislukte conferentie in Den Haag wordt voortgezet, ook afloopt, één ding staat vast: emissiehandel, het instrument dat een hoofdrol speelt in het Kyoto-protocol, blijft zijn waarde behouden. Emissiehandel kan onafhankelijk van het protocol gebruikt worden; welke landen daarvoor het protocol ratificeren en of er een rechtsgeldig verdrag ontstaat, is niet van belang.
Nederland zal met zijn energiebesparingsbeleid doorgaan. Dat geldt niet alleen voor het ministerie van Vrom en EZ, dat geldt ook voor het Nederlandse bedrijfsleven. In 2000 heeft een groot aantal bedrijven het benchmark-convenant afgesloten en de onderhandelingen over een nieuwe Meerjarenafspraak energie-efficiencyverbetering, voor de periode 2000-2012, kunnen binnenkort waarschijnlijk succesvol worden afgerond. Emissiehandel kan bij de verwezenlijking van de doelstellingen uit die convenanten een belangrijke rol spelen, omdat het een kosteneffectief instrument is.
Uit de Primes-studie van de Europese Commissie is bekend dat de kosten voor de EU om te voldoen aan de Kyoto-doelstelling zeer ongelijk over de lidstaten zijn verdeeld. Blijkbaar hebben de bedenkers van het Kyoto-protocol toch onvoldoende rekening gehouden metde maatregelen die sommige landen al hebben geleverd en wordt het vooroplopen nu afgestraft. Nederland heeft daarnaast zichzelf lelijk in de vingers gesneden door akkoord te gaan met de ambitieuze doelstelling van 6% vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Wat dat betekent laat de Primes-studie zien: de (marginale) kosten voor het bereiken van de Kyoto-doelstelling zijn in Nederland veruit het hoogste in de EU: 150 /ton CO2, het daaropvolgende land is België met 90 /ton CO2, andere landen komen daar nog ver onder, zoals Duitsland met 13,5 /ton CO2.
Met name Nederland zou dus kunnen profiteren van de kostenvoordelen van de handel in emissies. Nederland of Nederlandse bedrijven zouden dus vooral emissierechten moeten kopen in Duitsland of eventueel in Midden- en Oost-Europa.
Ook het Nederlands bedrijfsleven zal door gebruikmaking van emissiehandel kostenvoordelen kunnen behalen. Die kostenvoordelen worden echter sterk bepaald door de keuze van het systeem, waaronder de initiële verdeling van de rechten en de uitvoeringskosten.
Ideaal zou een internationaal systeem zijn, op Oeso-niveau of op zijn minst op EU-niveau, maar dat dit snel totstandkomt is niet zo waarschijnlijk. Het ligt meer voor de hand dat de Europese Commissie een kader met uitgangspunten en criteria zal voorstellen, waaraan eventuele nationale systemen, zoals die overigens nu binnen de EU al volop in ontwikkeling zijn, zullen worden getoetst. Essentieel daarbij is dat het nationale systeem uitwisseling van rechten met systemen in andere EU-lidstaten mogelijk maakt.
Hoe zouden de hoofdlijnen van zo'n systeem eruit moeten zien?
Er bestaan twee hoofdsystemen: een systeem gebaseerd op absolute CO2-plafonds en een systeem met relatieve CO2-doelstellingen (CO2 per eenheid product). Bedrijven hebben op verschillende niveaus al vaak hun weerstand tegen absolute plafonds uitgesproken. Met name voor de energie-intensieve, internationaal concurrerende bedrijven is een absoluut plafond bedreigend voor de concurrentiepositie en de productiegroei.
Een systeem met relatieve doelstellingen of een prestatienormsysteem is dan ook het enige systeem dat een kans van slagen heeft en dit systeem sluit ook het beste aan bij de Nederlandse convenanten, die immers uitgaan van relatieve doelstellingen. Een prestatienormsysteem doet ook meer recht aan inspanningen uit het verleden. Voorlopers worden niet benadeeld zoals bij een systeem met absolute plafonds op basis van koppeling van emissierechten aan een bepaald jaar het geval kan zijn. Bovendien levert een prestatie-normsysteem geen problemen op met toe- en uittredende bedrijven, terwijl bij een systeem met absolute plafonds een toetredend bedrijf zich moet inkopen.
Ten slotte levert groei en krimp van bedrijven door economische omstandigheden minder problemen op onder een prestatienormsysteem. Een veel gehoord bezwaar tegen een dergelijk systeem, namelijk dat de overheid geen zekerheid heeft dat de norm, of in Kyoto-termen de absolute klimaatdoelstelling, zal halen, is eigenlijk van louter academische aard. In de gehele EU laten de emissies van bedrijven over een lange reeks van jaren een vrijwel vlak verloop zien. De EU-ramingen gaan zelfs uit van een daling van de emissie door de industrie met 14% in het jaar 2010.
De grote stijging wordt veroorzaakt door de emissies van het verkeer en vervoer en van het stijgend elektriciteitsverbruik van de consument. Dat zijn groeperingen die niet gauw aan emissiehandel zullen deelnemen.
Voordat tot de invoering van een systeem van emissiehandel wordt overgegaan zal wel aan een aantal voorwaarden moeten worden voldaan. Het moet duidelijk zijn dat bedrijven die deelnemen, niet worden belast met additionele instrumenten zoals een energieheffing. Ook moet een nationaal systeem zodanig zijn opgezet dat het inpasbaar is in een EU-systeem of dat de CO2-rechten uitwisselbaar zijn met systemen in andere EU-lidstaten.
Thieu Korten
Ir M.P.H. Korten is secretaris energiezaken VNO-NCW.
Copyright (c) 2001 Het Financieele Dagblad