WE GAAN VOOR GOUD!
|
![]() P+ maart 2009 |
Moeten klimaatcompensatieprojecten altijd ver over de grens plaats vinden, of mag het ook in Nederland? Feitelijk kan het niet, want alle CO2-reductie telt al mee voor de nationale doelstelling op dat gebied. Maar milieuconsultant Jos Cozijnsen ziet mogelijkheden. Hij was betrokken bij de bouw van een mestvergistingsinstallatie door het varkensproefbedrijf Sterksel. Het project werd doorgerekend door erkende Duitse bureaus en Sterksel verkreeg als eerste in Nederland certificaten voor de vermeden methaanuitstoot. Het bedrijf verkocht de certificaten op de vrijwillige markt aan onder meer een Britse bank, voor naar schatting tussen de 6 en 8 euro per ton. Dergelijke extra inkomsten zouden een steun in de rug kunnen zijn voor varkensboeren die nu nog aanhikken tegen de hoge aanschafkosten van een mestvergister. De opbrengsten zouden nog een stuk hoger kunnen zijn als de certificaten aangeboden mochten worden op de markt voor verplichte emissiereductie (waar de prijs hoger is), maar dat is in Nederland niet toegestaan. Aan vermeden CO2-uitstoot worden in eigen land geen rechten toegekend, waardoor stroomproducenten of andere bedrijven met een reductieverplichting de credits niet kunnen opkopen. Onterecht, vindt Cozijnsen. Frankrijk en Duitsland hebben er minder moeite mee, daar kan het al. Het mag volgens de regels van het Kyoto-protocol niet in eigen land, daarom doen ze het cross border. Dan blijft er ook controle op. Cozijnsen adviseert partijen die klimaatneutraal willen werken gebruik te maken van de vrijwillige markt. Bijvoorbeeld gemeentes. Er is geld beschikbaar. Mensen willen hun emissies compenseren, hen maakt het echt niet uit wat voor soort project het is. Als het maar goed is en inzichtelijk. Sterker nog, velen zullen het liever dichtbij in Nederland hebben dan ver weg een boom aanplanten of een windmolen neerzetten. Duurzaamheid moet je overal doen, en dus ook in Nederland. Zolang het maar gaat om additionele projecten, die zonder klimaatgelden niet tot stand gekomen zouden zijn. In de toekomst zal de vrijwillige markt aan de verplichte worden gekoppeld, verwacht Cozijnsen. Bijvoorbeeld in de vorm van sponsoring. Bedrijven steunen klimaatbeleid in Nederland. En dan kan het alsnog meegeteld worden in de CO2-boekhouding van de Nederlandse regering. Daar is nog wel wat doorrekenwerk voor nodig. Maar ik denk dat dit onderdeel is van de toekomst waar we naar toe gaan. |
|
[..] Het Wereld Natuur Fonds stond in 2002 aan de wieg van de Gold Standard, maar heeft er formeel niets meer mee te maken. Gold Standard is nu een onafhankelijke organisatie in Zwitserland, die voortdurend klimaatprojecten controleert. Minstens twee jaar duurt het voordat projecten zich officieel Gold Standard mogen noemen, en dus certificaten verkopen. Het gaat altijd om schone energieproductie, meestal in ontwikkelingslanden. Doorslaggevend voor het Gold Standard keurmerk is ook dat de lokale bevolking baat heeft bij het project. Dat de prijs daardoor hoger ligt dan de 10 à 12 euro per ton die momenteel gebruikelijk is op de vrijwillige markt, nemen steeds meer kopers voor lief. De sterk groeiende vraag naar Gold Standard projecten, vooral uit Nederland en Groot-Brittannië, bracht de organisatie vorig jaar even in verlegenheid vanwege een tekort aan goede projecten. Inmiddels zijn er weer zon tweehonderd projecten in de pipeline. Gold Standard is een van de drie internationale standards die de lat voldoende hoog legt, vindt directeur Jan-Willem Bode van OneCarbon. Maar de link die Gold Standard legt met duurzame ontwikkeling sluit het beste aan bij onze bedrijfsfilosofie. OneCarbon is een volle dochter van het Nederlandse Econcern. Het ontwikkelt zelf projecten die voldoen aan de Gold Standard, maar betrekt die indien nodig ook van de Zwitserse organisatie. KLM is een klant van OneCarbon, en nog een handvol andere multinationals. Met een portfolio van meerdere miljoenen tonnen die voldoen aan de Gold Standard is het een van de grotere spelers op de vrijwillige markt. De keuze vóór Gold Standard is ook een
keuze tégen projecten met een minder duidelijke milieuopbrengst. Zoals het aanplanten van
bomen om het klimaat te redden. Na verschillende publicaties is er zoveel twijfel ontstaan
over deze vorm van compensatie dat nog maar weinig bedrijven er de vingers aan willen
branden. Het is immers onzeker of de klimaatbossen lang genoeg blijven staan en of Ook het gebrek aan transparantie bij sommige projecten en de onduidelijkheid over met welke standaards er wordt gewerkt, wekken huiver. In een rapport van Milieu Centraal enige maanden geleden werd gepleit voor het instellen van een keurmerk, met duidelijke minimumeisen. Daar wordt nu aan gewerkt, maar het lijkt erop dat de markt er niet op wil wachten. Ook de individuele reiziger kan inmiddels al kiezen voor compensatie van zn vliegreizen of autokilometers bij een bedrijf als OCO2, dat uitsluitend met de Gold Standard werkt. Een ander terugkerend punt van discussie
is dat van de futures. Veel klimaatcompensatie
wordt verkocht terwijl het nog niet gerealiseerd is. Zo kan de reiziger op vliegveld
Eindhoven Airport ter plekke betalen om zn vlucht te compenseren, terwijl de
feitelijke compensatie mogelijk pas over een jaar of twee plaatsvindt. Moeten bedrijven
niet eerst een buffer aan projecten opbouwen, voordat ze compensatie aanbieden? Voor
Jan-Willem Bode van OneCarbon hoeft dat niet. Het debat over futures heeft vooral te
maken met het krappe aanbod en de sterk toenemende vraag. Daarom moet je nu wel genoegen
nemen met projecten die nog moeten plaatsvinden. Dat heeft overigens als voordeel dat jouw
geld helpt die projecten van de grond te tillen. Hij verwacht dat de krapte op de
markt een kwestie van een paar jaar is. Dan is er voldoende aanbod. Je kiest uit de
beschikbare compensatie en je hebt onmiddellijk je CO2 van het afgelopen jaar
gecompenseerd. De compensatiemarkt Er zijn twee markten voor compensatie van de gassen die zorgen voor klimaatopwarming: de wettelijk verplichte en de vrijwillige markt. Op die laatste wordt de vraag bepaald door bedrijven en particulieren die op vrijwillige basis hun schadelijke uitstoot willen compenseren. Compensatie kan op veel manieren. Overheden kunnen een deel van hun in Kyoto afgesproken reductieverplichting behalen met projecten in het buitenland: via het Clean Development Mechanism (CDM) voor projecten in ontwikkelingslanden, en via Joint Implementation (JI) voor schone energieprojecten in de voormalige communistische landen. Op deze projecten vindt controle door de Verenigde Naties plaats. Bij het emissierechtensysteem van de Europese Unie kunnen energie-intensieve bedrijven extra rechten kopen als ze meer CO2 uitstoten dan toegestaan. Of ze kunnen investeren in compensatieprojecten. Bedrijven die nu nog buiten het emissierechtensysteem vallen kunnen op vrijwillige basis hun uitstoot compenseren. Mooi meegenomen is dat men zo vast kan uitproberen hoe klimaatcompensatie werkt. Bedrijven kunnen zelf kiezen welke rechten ze kopen. Over het algemeen geldt: hoe meer garanties over de betrouwbaarheid van de compensatie, hoe duurder de aankoop. Naast Gold Standard gelden ook de internationale standards VER+ en VCS als betrouwbaar: hun projecten worden gecontroleerd door onafhankelijke derden. Wanneer onder een toekomstig Kyoto-2 protocol (of bijvoorbeeld op de Amerikaanse markt) credits verworven op de vrijwillige markt ook meegeteld mogen worden voor de verplichte reductie, dan bieden projecten met deze standard daarop de beste kans. Eerste
Gold Standard certificaten in Turkije In augustus vorig jaar werden de eerste Gold Standard certificaten voor de vrijwillige markt (Voluntary Emissions Reduction VERs) uitgereikt aan twee Turkse windfarms. De beide windparken hebben een gezamenlijke capaciteit van 70 MW en voorzien zon honderdduizend huishoudens van schone energie. De Gold Standard certificaten werden toegekend omdat de windmolenparken niet alleen zorgen voor een reële CO2-reductie, maar ook in sociaal opzicht verbetering brengen. Na consultaties met de lokale bevolking was OneCarbon nauw betrokken bij de uitwerking daarvan. Samen met de Turkse windmolenbouwer Demirer Holding werd besloten een aantal gemeenschapsvoorzieningen op te zetten, zoals verbetering van wegen en een crèche. Het is niet de enige activiteit van OneCarbon in Turkije: het bedrijf ontwikkelt momenteel zon vijftien Gold Standard projecten, waarmee het er de belangrijkste projectontwikkelaar is. Algemeen directeur Jan Willem Bode: Investeringen in windenergie zijn voor Turkije van groot belang om minder afhankelijk te worden van de import van fossiele brandstoffen. Maar projecten zoals deze geven ook een push aan regionale ontwikkeling. De inkomsten uit de verkoop van de Gold Standard certificaten maakt dergelijke projecten mogelijk. Rabobank neemt de tijd De Rabobank is een eigenzinnig bedrijf, ook waar het gaat om het klimaat. Vorig jaar stapte de bank uit het samenwerkingsverband Klimaatcompensatie.nl. Reden: de bank handelt niet in compensatie en wil er dus ook niet verdienen. Bovendien voldeed de samenwerking niet aan de door ons beoogde kwaliteitsnormen. Zo compenseert Rabobank alleen door middel van Gold Standard projecten, en niet door het planten van bomen. De Rabobank was betrokken bij het samenwerkingsverband vanwege de introductie medio 2007 van de Rabocard met Klimaatcompensatie, waarmee de klanten van de bank hun aankopen klimaatneutraal kunnen maken. Daartoe werd een driejarig samenwerkingsverband aangegaan met het WNF. Energie- en milieuadviesbureau Ecofys werd ingeschakeld om een methodologie te ontwerpen waarbij iedere aankoop met de kaart naar een bepaalde CO2-waarde wordt herleid. Op dit moment is er voor de 1,1 miljoen gebruikers van de Rabocard nog maar weinig precieze informatie beschikbaar over de wijze waarop zijn of haar aankopen worden gecompenseerd. De voorbeeldprojecten op de site van de bank blinken uit in vaagheid. Zo is er sprake van steun bij de opstart van een windmolenproject in een agrarisch gebied in Azië en het winnen van gas uit vuilstortplaatsen in Oost-Europa. Cijfers over het aantal tonnen te compenseren uitstoot zijn vooralsnog niet voorhanden, en evenmin de bedragen die daarmee zijn gemoeid. Dit heeft te maken met de wijze van compensatie waar de Rabobank voor kiest, zegt Paul Veendrick, werkzaam op de afdeling MVO. We gaan in ontwikkelingslanden vooral met nieuwe projecten aan de slag. We kopen dus geen credits van al lopende projecten, maar steunen projecten die zonder onze bijdrage nooit gerealiseerd zouden zijn. Die projecten moeten dan nog wel door het hele beoordelingsproces van de Gold Standard, en dan ben je zo een á twee jaar verder. We hebben nu een flink aantal compensatieprojecten in de pijplijn. De gekozen route leidt er toe dat de compensatie van de aankopen over een aantal jaren wordt verdeeld. Dit omdat er door onze aanpak pas credits verkregen worden als een project operationeel is. In de toekomst verwachten we zoveel projecten in portefeuille te hebben dat de compensatie dan veel sneller kan worden afgerond. Maar nu staan het vinden en ontwikkelen van kwalitatief hoogwaardige projecten voorop. Projecten die goed zijn voor lokale ontwikkeling en het klimaat. Dat is onze ambitie. |
|